Waarom de FvD-zege juist een kickstart voor het poldermodel zal zijn
21 april 2019 |
Sarah Sramota
Het poldermodel is afgeleid van het vlakke, egale polderlandschap dat zo kenmerkend is voor Nederland. Links en rechts staan op dezelfde hoogte.

Op 30 maart verscheen op deze website een column van Thomas van den Elshout, waarin hij stellig betoogde dat de onverwachte zege van Forum voor Democratie (FvD) tijdens de Statenverkiezingen de ondergang van het Nederlandse poldermodel zou betekenen: “in de nationale politiek lijkt het poldermodel voorlopig even uitgewerkt.” Waarom het poldermodel juist nu allesbehalve ‘uitgewerkt’ is, beschrijft journalist en student politicologie Sarah Sramota in deze kritische repliek.

De regeringscoalitie is haar meerderheid in de Eerste Kamer kwijt. Een spijtige ontwikkeling die voornamelijk te wijten is aan de plotselinge opmars van het Forum voor Democratie van Thierry Baudet, dat met 13 zetels de grootste partij is geworden. Maar ook GroenLinks is als terechte winnaar aan te merken: de partij heeft haar zetelaantal meer dan verdubbeld, van 4 naar 9. De verkiezingsuitslag laat een duidelijke tweedeling te zien en voor student journalistiek Thomas van den Elshout is dat reden genoeg om te stellen: “het Nederlandse poldermodel is, op alle fronten, kapot.”

Betekenis

Wellicht is het goed om de definite van het woord poldermodel op te frissen. In zijn boek ‘Nog steeds een mirakel? De legitimiteit van het poldermodel in de eenentwintigste eeuw’ [pdf] legt Maarten Keune uit dat “in het Nederlandse poldermodel verenigingen van werkgevers en werknemers en de overheid [onderhandelen] over sociaaleconomisch beleid en arbeidsvoorwaarden met als doel compromissen te bereiken over de inhoud van dit beleid en het onderling te coördineren”. Een schoolboekvoorbeeld van het poldermodel is dan ook het Akkoord van Wassenaar, dat in 1982 onder toeziend oog van kabinet Lubbers tussen werkgevers- en werknemersorganisaties werd gesloten.

De oorspronkelijke betekenis van het poldermodel, specifiek gericht vakbonden en loonmatiging, is zowel in de politiek als in de maatschappij een eigen leven gaan leiden, zoals ook blijkt uit dit ludieke uitlegfilmpje van de Tweede Kamer.

Ook Van den Elshout lijkt affiniteit te hebben met deze nieuwe, breder toepasbare opvatting van het poldermodel, namelijk dat consensusvorming, deliberatie en flexibiliteit aan de basis staan van politieke besluitvorming in Nederland. En juist dit fantastische mechanisme, dat (relatief) effectieve besluitvorming in een verdeeld politiek landschap mogelijk maakt, is nu kapot. Althans, dat beweert de columnist.

Ad hoc-meerderheden

Van den Elshout beroept zich op het optreden van twee linkse oppositiepartijen tijdens de verkiezingsdebatten op RTL en NOS. GroenLinks-leider Jesse Klaver zou in dat eerste debat aan hebben gegeven open te staan voor samenwerking met de rechtse coalitie, mits aan bepaalde voorwaarden zou worden voldaan. Ook PvdA-leider Lodewijk Asscher sloot samenwerking allerminst uit, maar “alleen als het bij ons programma aansluit”. 

Maar is dit niet hoe het poldermodel werkt? Samenwerking op basis van het uitwisselen van standpunten, het voldoen aan voorwaarden? Deze uitspraken van de twee grootste linkse partijen getuigen juist van een zeer open houding: samenwerking ís mogelijk. En voor wat hoort wat, maar dat lijkt premier Mark Rutte met zijn ‘klimaatdraai’ inmiddels begrepen te hebben.

Zowel Rutte als andere politieke leiders zijn zich bewust van de manier waarop het versplinterde Nederlandse partijsysteem functioneert. Om een wet door de Eerste Kamer te krijgen kan de regeringscoalitie zich vanaf mei helaas niet meer beroepen op een eigen meerderheid, maar zal per wetsvoorstel ad hoc-meerderheden moeten vormen. De oppositie – links of rechts – móet betrokken worden, wil een wetsvoorstel uiteindelijk door beide Kamers komen. Dit getuigt juist van de noodzaak van een effectieve polderstrategie.

Daarnaast, enkele uittreksels van een debat vormen niet altijd – eerder zelden – een accurate weerspiegeling van de politieke praktijk. Harde retoriek kan doorslaggevend zijn, wanneer standpunten aan de achterban ‘verkocht’ moeten worden. De nieuwe Eerste Kamer is nog niet eens aangetreden, dus conclusies over een veranderende politieke praktijk moeten we nog niet willen vellen; zeker niet luttele dagen na de verkiezingen en op basis van twee uitspraken tijdens debatten op televisie.

Verdeelde maatschappij

In het tweede deel van zijn column betreurt Van den Elshout dat polderen – hij gaat ervan uit dat het niet een louter politiek verschijnsel is – ‘er niet echt meer in lijkt te zitten’ onder de Nederlandse bevolking. De maatschappelijke polarisatie tussen links en rechts zou daaraan ten grondslag liggen. Zeker, de maatschappij is behoorlijk verdeeld. Maar of de samenleving terug te voeren is tot twee strikt afgebakende kampen die niets van elkaar moeten hebben lijkt me twijfelachtig. De verdeeldheid is vooral terug te zien op platformen zoals Twitter en tijdens protesten van radicale groepen zoals Antifa op links en Pegida of de Gele Hesjes op rechts.

Maar de overgrote meerderheid van de Nederlandse burgers vereenzelvigt zichzelf liever niet met de excentrieke figuur Kees Boonman, noch met Baudets boreale Uil van Minerva. Bijna twee derde van de kiezers heeft afgelopen verkiezingen op andere partijen dan het FvD, de PVV of GroenLinks gestemd. De overgrote meerderheid van de bevolking fladdert gewoon rond het politieke midden, met af en toe een kleine afwijking naar links of rechts. Deze mensen begrijpen dat tegenstellingen overbrugd of terzijde gelegd moeten worden om een gezamenlijk doel na te kunnen streven. Een doel dat niet bestaat uit het polariseren van de samenleving door middel van schreeuw-Tweets, Facebookcommentaren of de verspreiding van nepnieuws.

Ten slotte is het belangrijk om op te merken dat maatschappelijke onvrede, verdeeldheid en radicale protestgroepen van alle tijden zijn. Zelfs begin jaren ’80, terwijl in Wassenaar hard gepolderd werd, vierden buitenparlementaire bewegingen zoals de Vredesbeweging hun hoogtijdagen. Het bestaan van protesterende minderheden zegt zo weinig tot niets over het welzijn en de houdbaarheid het politieke systeem en bijbehorende waarden. Protesteren is een teken van zich ongehoord voelen, niet de onwelwillendheid tot consensusvorming. Het is zaak om de dialoog aan te gaan, in plaats van de samenleving weg te zetten als onherroepelijk verdeeld.

Omarm de consensuspolitiek

De gevolgen van maatschappelijke onvrede in Westerse democratieën zijn duidelijk merkbaar geworden. De opkomst van radicale politici en de electorale successen van hun partijen zijn daarvan een onmiskenbaar voorbeeld. Het is begrijpelijk dat een dergelijk politiek klimaat niet meteen uitnodigt tot samenwerking en consensusvorming. Op basis van het sentiment dat bepaalde politici en maatschappelijke groepen uitdragen is het logisch dat Van den Elshout in het poldermodel een verloren traditie heeft gezien.

Maar wie verder kijkt, ziet deuren opengaan in plaats van sluiten. Meer dan ooit tevoren zijn consensusvorming, deliberatie en flexibiliteit essentieel om beleid door de Kamers te krijgen en burgers tevreden te stellen. Juist in tijden van extreme politieke verdeeldheid en versplintering is het van belang de consensuspolitiek te omarmen, in plaats van haar ‘uitgewerkt’ te verklaren. Lang leve het poldermodel!

21 april 2019 |
Sarah Sramota