EU-expert: “We moeten kritische geluiden over de EU serieus nemen”
15 april 2019 |
Eline Weterings

De Europarlementsverkiezingen komende mei vinden plaats in een roerige tijd voor de EU – de Brexit-onderhandelingen blijven bezig, het vertrouwen in de EU daalt en eurokritische partijen doen het goed in nationale verkiezingen. Jan Rood, universitair docent Europese integratie aan de Universiteit Leiden, vindt dat dit juist tekenen zijn dat Europa serieuzer wordt genomen.

Welke invloed denkt u dat Brexit en het afgelopen succes van eurokritische partijen gaan hebben op de verkiezingen en op de uitslagen?

“Dat is moeilijk te voorspellen. Mocht Brexit doorgaan, en het Verenigd Koninkrijk dus niet mee doen aan de Europese verkiezingen, zal de samenstelling van het Europees Parlement (EP) natuurlijk veranderen. De afwezigheid van de Britse parlementariërs zal met name gevolgen hebben in de hoek van de meer eurokritische partijen. UKIP heeft bij de vorige verkiezingen namelijk de Europese verkiezingen in het VK gewonnen, waardoor die partij een groot deel van de Britse vertegenwoordiging uitmaakt. Ook de Britse conservatieven, die grotendeels eurokritisch zijn, zullen verdwijnen uit het Parlement. Op het eerste gezicht zou je dus geneigd zijn om te zeggen dat Brexit, mocht het doorgaan, ervoor zorgt dat twee meer eurosceptische fracties verzwakt zullen worden.

Daar staat tegenover dat alle peilingen erop wijzen dat eurokritische krachten over het algemeen aan betekenis zullen winnen. Dat heeft onder andere te maken met het succes van AfD in Duitsland, FvD in Nederland, Lega Nord en de 5-sterrenbeweging in Italië, ga zo maar door. We zien dat – alhoewel de steun voor de EU iets omhoog is gegaan met de puinhoop die de Britten ervan maken met Brexit – in de meeste Europese lidstaten veel extremere rechtse en eurokritische partijen aan kracht hebben gewonnen. Mijn indruk is dus dat de samenstelling van het Europees Parlement nogal gaat veranderen, mocht Brexit doorgaan. Er moet alleen niet worden uitgesloten dat eurosceptische partijen aan kracht zullen winnen, en dan is het ook zeker de vraag of zij zullen gaan samenwerken binnen het Parlement.”

We zien sowieso de laatste jaren een stijging van euroscepsis. Hoe komt dit, denkt u?

“Dat heeft een aantal redenen. Ten eerste zie je dat het vertrouwen in de politiek, met name binnen lidstaten, teruggelopen is – met name het vertrouwen in de middenpartijen. Mensen voelen zich toch minder vertegenwoordigd door die partijen. En naarmate dat sterker het geval is, zijn mensen meer geneigd om extremere partijen op te flanken van links en rechts op te zoeken. Sommige mensen spreken daarom van een crisis van de representatieve democratie. Dat is misschien wat sterk aangezet, maar het is wel zo dat mensen minder vertrouwen hebben in het politieke establishment, mede door uitspraken van populistische partijen. Zij hebben natuurlijk de boodschap dat de politieke elite niet te vertrouwen is, en dat zij dus op moeten komen voor de ‘gewone man’.  Trump is daar ook een voorbeeld van. Die partijen – met name de extreemrechtse – zijn over het algemeen anti-Europees: ze zijn nationalistisch en hebben dus moeite met Europese integratie en de EU in haar geheel. Ze zien de EU als een ondemocratisch, niet-transparant project, dat met name de belangen van de elite en het politieke establishment dient.

Een tweede, niet onbelangrijk punt is dat mensen, en dan met name mensen die het economisch moeilijk hebben, het gevoel hebben dat zij niet profiteren van de economische voorspoed van de EU. Dat wordt ook onderstreept door de feiten: er is een bovenklasse die heel rijk is, en een onderklasse die haar inkomen niet ziet stijgen en sterk afhankelijk is van de verzorgingsstaat. Dat helpt niet met het verwerven van steun voor Europese integratie. Mensen hebben vaak het gevoel dat het feit dat zij er economisch slechter voor staan wordt veroorzaakt door de open grenzen, open markten, strenge regels wat betreft nationale begrotingen en schulden die de EU met zich mee brengt.

Een derde factor is het punt van culturele ontwikkeling. Mensen hebben het gevoel dat hun eigen samenleving en de normen, waarden en tradities die daar bestaan onder druk staat door allerlei invloeden van buitenaf. Dat kan religieus zijn, door bijvoorbeeld de komst van moslims, of met de opkomst van discussies als die over zwarte Piet, noem maar op. Daardoor worden mensen bang dat de eigen cultuur, tradities en nationale identiteit steeds verder onder druk komen te staan, doordat deze als het ware opgaat in een groter geheel. Als mensen die angst hebben, zullen ze sterker geneigd zijn om naar binnen te kijken en nationalistisch te worden, dus anti-Europees.”  

Wat voor effecten heeft dit op de EU en haar functioneren?

“Het wordt voor de EU natuurlijk steeds lastiger. In de afgelopen periode zijn de scheidslijnen binnen de EU verdiept. Met name tijdens de economische en financiële crises tussen 2008 en 2015 zag je dat de Noord-Zuidscheiding steeds scherper werd. De zuidelijke lidstaten – Griekenland, Italië, tot op zekere hoogte ook Spanje en Portugal – verweten de noordelijke lidstaten, en dan met name Duitsland, dat zij hen dwongen tot ingrijpende bezuinigingen.

Maar wat we de laatste tijd ook hebben gezien, is dat de Oost-Westtegenstelling is verdiept, zeker naar aanleiding van vraagstukken rondom democratie, rechtsstaat, migratieproblematiek en klimaatverandering. Hierbij zien we heel duidelijk dat relatief nieuwe lidstaten als Hongarije, Polen en Tsjechië kampen met de opkomst van de ‘illiberal democracy’ – een soort nationalistisch populisme, zoals Orbán. Onder de huidige politieke leiding heeft dat soort landen toch een zekere neiging om autoritair te worden. Dat is niet acceptabel voor landen als Nederland en Duisland, die vinden dat de EU gekenmerkt moet worden door landen die zich houden aan de rechtsstaat.

Naarmate die Oost-West en Noord-Zuidtegenstellingen verdiepen en scherper worden, wordt het lastiger om overeenstemming te vinden over allerlei zaken die nu op de agenda staan in Europa. Zeker het beantwoorden van de vraag hoe de EU verder wil, wordt daardoor moeilijk. De cohesie binnen de Unie staat dus onder druk.

Wat daarbij komt, is dat veel problemen binnen de EU moeten worden opgelost door de Europese Raad – dus de regeringsleiders en staatshoofden. Daarbinnen nemen Frankrijk en Duitsland natuurlijk een bijzondere positie in. Maar de politieke ontwikkelingen in die twee landen – de gele hesjes in Frankrijk, de AfD die sterker wordt in Duitsland terwijl Merkels coalitie zwak is – zorgen dat de positie van de landen en hun leiders onder druk staat. En dat maakt het natuurlijk ook moeilijker om in de Europese Raad consensus te bereiken, zeker in combinatie met de scheidslijnen die steeds scherper worden.”

Volgens een onderzoek van Pew Research Centre zijn jongeren minder eurosceptisch dan ouderen. Waar ligt dat aan, denkt u?

“Dat is een beetje dubbel. Aan de ene kant zijn jongeren inderdaad minder eurosceptisch dan ouderen. Dat heeft denk ik te maken met het feit dat jongeren wendbaarder zijn, flexibeler zijn, zich minder zorgen maken over de toekomst – in die zin dat ze het gevoel hebben dat, ook al gebeurt er van alles in de wereld, zij zelf als persoon hun weg wel weten te vinden. Ouderen, daarentegen, al was het maar door leeftijd, zijn toch kwetsbaarder voor veranderingen. Zij hebben vaak het gevoel dat de wereld om hen heen verandert, terwijl er weinig over blijft voor hen zelf. Daarbij komt ook nog dat ouderen vaak kinderen hebben waar ze zich zorgen over maken, terwijl de kinderen zich juist minder zorgen maken. Dat is grappig om te zien.

Een kanttekening daarbij is dat, als we kijken naar onderzoek, jongeren minder geneigd zijn om te gaan stemmen bij de Europese verkiezingen. Bovendien moeten we ook onderscheid maken tussen welke categorie jongeren je het over hebt. Als we bijvoorbeeld kijken naar onderzoek in het kader van Brexit en hoe daar de voor- en tegenstemmen waren verdeeld, vielen een paar dingen op. Ten eerste: ouderen in de oude geïndustrialiseerde gebieden van het VK stemden Leave – dat zijn dus met name de groepen die kwetsbaar zijn voor verandering. Als we verder kijken, zien we dat het ouderen waren die lager opgeleid waren, vaak zonder werk zaten, en dus afhankelijk waren van de overheid als het gaat om inkomen. Ouderen die flexibeler en wendbaarder waren, vaak uit Londen, die een goede baan hadden, profiteerden van de openstelling van de markt, die bijvoorbeeld actief waren in de financiële dienstverlening, stemden voor blijven in de EU.

Als we kijken naar jongeren, zien we dat die relatief minder opkwamen bij het Brexit-referendum. Jongeren die Remain stemden waren met name hoogopgeleide jongeren die een universitaire opleiding volgden. Lager opgeleide jongeren, voor zover zij überhaupt opkwamen, stemden tegen de Europese Unie. Jongeren zijn dus wat optimistischer, maar ze komen niet stemmen – met name de lager opgeleide jongeren – en als ze het doen, zijn ze eurokritisch, eurosceptisch, anti-Europees. Het beeld is dus erg divers.”

Wat zou, denkt u, kunnen helpen om het vertrouwen in de EU en het Parlement omhoog te brengen?

“Dat is ontzettend moeilijk. Ten eerste omdat de oorzaken binnen landen natuurlijk totaal verschillend zijn: een land als Frankrijk heeft een hele andere politieke traditie dan een land als Duitsland. De oorzaken van de problemen die we nu hebben in Italië met de opkomst van extremere eurokritische groeperingen zijn heel anders dan die van de opkomst van illiberal democracies in Hongarije en Polen.

Wat het zo lastig maakt om hier een oplossing voor te vinden, is dat de Europese integratie en de besluitvorming van de EU verknoopt zijn geraakt met wat er binnen lidstaten gebeurt. En omdat de oorzaken van de euroscepsis en de problemen binnen lidstaten totaal verschillend zijn, en hoe dan ook in economisch opzicht de verschillen binnen de lidstaten heel groot zijn, is het heel moeilijk om een oplossing te vinden die geschikt is voor alle lidstaten. Hoe dan ook: herstel van vertrouwen onder de bevolking als het gaat om Europese integratie is een absolute voorwaarde om door te gaan met het integratieproces.

Wat verder duidelijk is, is dat in dit opzicht de verkiezingen voor het Europees Parlement geen verschil zullen maken. Dat is om de doodeenvoudige reden dat als je kijkt naar de periode sinds de eerste EP-verkiezingen in 1979, we zien dat versterking van de rol van het Parlement niet heeft geholpen om het vertrouwen van de burgers te winnen. Dat is eigenlijk paradoxaal: het heeft alleen maar aan macht gewonnen binnen de EU, terwijl het vertrouwen van burgers in het Parlement niet omhoog is gegaan – het is juist gedaald. Dus versterking van de rol van het EP is geen oplossing, en ook de verkiezingen zullen in dit opzicht denk ik weinig uitmaken. Het belangrijkste is: herstel van het vertrouwen in de EU en het Parlement begint op nationaal niveau, niet op Europees niveau. Dat is dus met name een uitdaging voor nationale politici.  

Ook zullen we kritische geluiden over de EU serieus moeten nemen. Toen euroscepsis en het populisme net opkwamen, zo’n drie, vier jaar geleden, werd het nog wel eens afgedaan als een fenomeen wat we niet al te serieus moesten nemen: die mensen waren niet genoeg geïnformeerd over Europese integratie en populisme was een tijdelijk verschijnsel dat weer zou verdwijnen als het economisch beter zou gaan met de EU. Onzin. We praten hier over reële problemen van burgers binnen hun eigen samenleving, en die zal je serieus moeten nemen.

Dat zal heel lastig worden, om burgers meer te betrekken bij besluitvorming, zowel op nationaal als op Europees niveau. Maar toch is het erg belangrijk. Waar de EU eerst werd gezien als project dat vooral draaide om de markt, wordt nu de sociale dimensie steeds belangrijker. We kampen met het vraagstuk: hoe kunnen burgers beter worden beschermd op Europees niveau, meer betrokken worden bij besluitvorming? Dat zal niet voldoende zijn om het vertrouwen te herstellen, maar het zijn wel noodzakelijke maatregelen.

Eigenlijk moeten we wat meer ontspannen omgaan met deze problematiek. De opkomst van het populisme betekent niet noodzakelijkerwijs ook het einde van Europese integratie. Het maakt het wat moeizamer, maar is eigenlijk ook een onvermijdelijk onderdeel van het feit dat Europa steeds belangrijker is geworden voor burgers. Europa is nu onderdeel van het politieke debat. En dat moet je toch eigenlijk willen, als je Europa serieus wilt nemen? Dan moet je ook niet verbaasd zijn als er tegenkrachten opkomen. En nogmaals, die moet je ook serieus nemen.”

15 april 2019 |
Eline Weterings