
In 25 jaar tijd steeg het aandeel ouderen in Nederland van 13,6 naar 20,5 procent. Europa vergrijst in rap tempo, maar de verschillen tussen landen zijn enorm. Hoe komt dat, en wat betekent het voor de toekomst?
Op 1 januari 2000 had Nederland nog een van de jongste bevolkingen van West-Europa. Amper één op de zeven Nederlanders was toen 65 jaar of ouder. Vandaag is dat één op de vijf. In een kwart eeuw is Nederland demografisch ingrijpend veranderd, maar het is lang niet het enige Europese land dat deze transformatie doormaakt. Uit cijfers van Eurostat, het statistiekbureau van de Europese Unie, blijkt dat het aandeel 65-plussers in de EU groeide van ongeveer 15 procent in 2000 naar 22 procent in 2024. Maar dit is een gemiddelde, waar grote verschillen achter schuilgaan.
Italië en Portugal staan bovenaan met respectievelijk 24,3 en 24,1 procent 65-plussers. Aan de andere kant van het spectrum staan Luxemburg (15,0%) en Ierland (15,5%), landen met een relatief jonge bevolking. Nederland zit in de middenmoot met 20,5 procent.
Wat de cijfers ook laten zien, is dat het percentage ouderen in sommige landen in korte tijd drastisch is gestegen. Polen is daar het meest opvallende voorbeeld van. In 2000 had het land nog 12,1% 65-plussers. Dit was een van de laagste percentages van Europa. Nu staat Polen op 20,5%: een stijging van bijna negen procentpunten. Ter vergelijking: in Zweden, een land dat al decennialang bekendstaat om zijn vergrijzende bevolking, was die stijging over dezelfde periode slechts drie procentpunten.
Die snelle vergrijzing in Oost-Europa heeft alles te maken met migratie, legt een woordvoerder van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) uit. Na de toetreding van Polen tot de EU trokken Jonge Polen massaal naar West-Europa, terwijl oudere generaties achterbleven. Het gevolg: een bevolking die snel veroudert zonder dat er voldoende jonge mensen zijn om dat te compenseren.
Nederland vergrijst ook, maar in een gematigder tempo dan haar zuidelijke en oostelijke buurlanden. Daar zijn meerdere verklaringen voor. Ten eerste kent Nederland al decennialang een relatief stabiel geboortecijfer, dat weliswaar onder het vervangingsniveau ligt (2,1 kind per vrouw) maar minder sterk daalt dan in landen als Italië of Spanje. Ten tweede trekt Nederland aanzienlijk veel arbeidsmigranten aan, die doorgaans jong zijn en zo het gemiddelde leeftijdsprofiel drukken. Toch betekent dat niet dat Nederland de dans ontspringt. Het CBS verwacht dat het aandeel 65-plussers in Nederland rond 2040 een voorlopige piek bereikt van bijna 25 procent, om daarna licht te dalen en na 2050 weer verder te stijgen.
Vergrijzing heeft verstrekkende gevolgen voor de samenleving. Een ouder wordende bevolking betekent meer vraag naar zorg, hogere pensioenuitgaven en een krimpende beroepsbevolking. In Nederland werken nu nog ongeveer drie werkenden voor elke 65-plusser. Volgens Eurostat-prognoses daalt die verhouding in de komende decennia verder, wat het sociale zekerheidsstelsel meer onder druk zet. In landen als Italië en Griekenland, waar de vergrijzing al verder gevorderd is, zijn die effecten al duidelijk zichtbaar. De zorgsystemen staan er onder druk en de discussie in de politiek over de pensioenleeftijd is er al jaren verhit.
Voor Nederland liggen soortgelijke discussies in het verschiet. De vraag is wanneer de gevolgen voelbaar worden (voor zover ze dat niet al zijn) en of de politiek op tijd de juiste keuzes maakt.