Steeds minder studenten lenen geld voor hun studie. Dat klinkt als goed nieuws. Maar wie alleen naar dat cijfer kijkt, mist het grotere verhaal: de totale studieschuld in Nederland blijft stijgen, en het bedrag per student groeit juist door. Minder lenen betekent dus niet automatisch minder schulden.
Uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat het aantal studenten met een studieschuld de afgelopen jaren is gestabiliseerd en zelfs licht is gedaald. Tegelijkertijd stijgt de gemiddelde schuld per persoon nog steeds. Die ontwikkeling heeft meerdere oorzaken. Tijdens het leenstelsel (2015–2023) werd studeren steeds meer een individuele financiële verantwoordelijkheid. Studenten moesten vaker lenen om hun studie en woonkosten te betalen. Inmiddels is de basisbeurs terug, maar de opgebouwde schulden uit die periode verdwijnen niet.
Opvallend is dat de totale studieschuld in Nederland niet daalt, ook al lenen er minder studenten. Dat komt doordat de groep die nog wel leent, gemiddeld hogere bedragen nodig heeft. Volgens CBS-cijfers is de gemiddelde schuld per student in de afgelopen jaren blijven stijgen. De totale schuld is vooral gestegen in de late jaren van het leenstelsel. In deze periode combineerden studenten hogere woonkosten met een periode waarin lenen bijna vanzelfsprekend was. Daarbij speelt ook mee dat schulden blijven bestaan. Een daling in nieuwe leningen zegt dus weinig over de totale schuld, als al bestaande leningen nog niet zijn afgelost.
Als je het studentenleven financieel bekijkt, zie je snel wat er aan de hand is. De inkomsten van studenten bestaan meestal uit een combinatie van een basisbeurs, eventuele aanvullende beurs, een bijbaan en soms een lening via DUO. Maar die inkomsten groeien nauwelijks mee gelijk aan de stijgende kosten van wonen en leven.
Een gemiddeld studentenbudget laat een duidelijk gat zien: In steden zoals Leiden, Amsterdam en Utrecht is de huur voor een studentenkamer vaak zó hoog dat de beurs en extra inkomsten vaak grotendeels of zelfs helemaal opgaat aan de huur. Daarbovenop komen vaste lasten zoals zorgverzekering, collegegeld en dagelijkse uitgaven. Voor vele is een bijbaan niet voldoende om dat gat volledig te dichten.
Dit geldt ook voor Anahí (22), studente aan de universiteit van Leiden:
‘Ik kom uit Rotterdam, en in mijn eerste 3 jaar van mijn studie kon ik door de lange reistijd niet veel werken, dus moest ik sowieso lenen om mijn collegegeld te kunnen betalen, ook al woonde ik nog thuis’, verteld Anahí. Toen ze in haar 4de jaar eindelijk een woning in Leiden vond, veranderde er niet veel financieel: ‘In leiden had ik geen reistijd, en had ik dus wel de tijd voor een bijbaan naast mijn studie, maar door de hoge huur voor een studentenkamer hield ik nauwelijks wat over van mijn beurs en salaris, en moest ik dus wel blijven lenen om overige uitgaven zoals boodschappen te bekostigen’.
De terugkeer van de basisbeurs heeft de situatie voor veel studenten veranderend, dit is ook te zien in het dalende aantal van studenten met schuld. Toch blijven veel studenten onder grote financiële druk staan. Ondanks dat volgens de cijfers studenten minder lenen, blijven de structurele kosten voor studenten hoog en blijven deze stijgen. Het resultaat is een paradox: het aantal leningen daalt, maar de financiële last per student blijft groot.