
Foto: Caruba, CC BY-NC 2.0, https://www.flickr.com/photos/denial_land/5998216150
Per jaar sterven gemiddeld 143.000 landbouwhuisdieren in een Nederlandse stalbrand. Een hoog aantal, wat ondanks alle media-aandacht voor het onderwerp niet af schijnt te nemen. Hoewel de Onderzoeksraad voor Veiligheid onderzoek heeft gedaan naar stalbranden en aanbevelingen formuleert, benadrukt de raad zelf dat de uitvoering elders ligt: “… wij doen aanbevelingen aan partijen. Daarmee zijn de partijen aan zet.” Dat roept de vraag op in hoeverre die partijen hun verantwoordelijkheid daadwerkelijk nemen. “Veel mogelijkheden om de stalbrandveiligheid voor dieren in de veehouderij te verbeteren wordt niet benut”. Zo gaven de betrokken partijen de aanpak van stalbranden te weinig prioriteit.
Het aantal stalbranden is in de afgelopen tien jaar niet substantieel afgenomen, tot teleurstelling van meerdere betrokken groepen. Het aantal dierlijke slachtoffers varieert substantieel, er hoeft maar één pluimveehouderij af te branden om tienduizenden slachtoffers achter te laten.
Bron: Risicomonitor Stalbranden, Verbond van Verzekeraars
De reden hiervoor ligt in het grotendeels vrijwillige karakter van de aanpak van stalbranden. Er is in de bestrijding van het probleem gekozen voor een “overlegmodel”, waarin meerdere betrokken groepen met verschillende belangen, zoals de Dierenbescherming, het Verbond van Verzekeraars, Brandweer Nederland en LTO Nederland, een (niet bindende) onderlinge regelgeving moesten zien te bedenken wat betreft stal-brandveiligheid. Ook de niet formele deelname van betrokken ministeries, zoals het ministerie van Landbouw, en het ministerie van Binnenlandse Zaken, zorgde voor een gebrek aan een stok achter de deur. Zonder verplichtingen leidde de actiegroep tot weinig resultaten. De veehouderij, vertegenwoordigd door LTO, bepaalden uiteindelijk zelf of ze zich hielden aan de regelgeving, wat grotendeels niet is gebeurd.
Veel betrokken groepen hopen nog altijd op verplichtende maatregelen vanuit de overheid, zoals bijvoorbeeld Frank van Krieken, de portefeuillehouder stalbranden van Brandweer Nederland: “Het is betreurenswaardig dat het aantal stalbranden nog steeds niet afneemt, als brandweer komen we zo snel mogelijk, maar we zijn sterk afhankelijk van preventieve maatregelen.” Volgens Brandweer Nederland wordt de veehouderij gedomineerd door het rendementsdenken, waarbij de investering in brandveiligheidsmaatregelen een financiële achterstand zou opleveren tegenover de marktconcurrenten, een investering die zonder wettelijke verplichtingen bij veel boeren dan ook niet plaats zal vinden.
Volgens de dierenbescherming is het probleem van de stalbrand evenzeer een systematisch probleem, wat hoogstwaarschijnlijk niet op vrijwillige basis kan worden opgelost: “Stalbranden zijn een gevolg van een systeem wat in stand wordt gehouden doordat de consument graag goedkoop voedsel wil hebben.” Zo ontstaat er een wisselwerking tussen de economische afwegingen van de consument en producent. De hoge vraag naar vlees is een stimulans voor de veehouderij om zo veel mogelijk vee zo snel mogelijk te ‘produceren’. In dit proces is grootschalige gesloten huisvesting haast een vereiste, wat de risico’s op stalbrand vergroot. Voortgaande schaalvergroting van de intensieve veehouderij vergroot dit risico alleen maar meer.
Kabinet Jetten zou zich nu richten zich op de verplichte proefkeuring van technische installaties in stallen, een positieve maatregel, elektra-storingen zijn namelijk één van de grootste oorzaken van stalbranden, maar toch is de maatregel maar weinig ingrijpend in het grotere plaatje van het stalbrand-probleem, zo is het nogsteeds maar één van de vele oorzaken van stalbrand. Dit, terwijl de focus wordt gelegd op proefkeuring in plaats van een wettelijk vereist niveau van onderhoud.
Bron: Risicomonitor Stalbrand, Verbond van Verzekeraars
De andere huidige oplossing van de rijksoverheid is een bewustwordingscampagne. De Rijksoverheid laat dus nogsteeds veel mogelijkheden om de stalbrandveiligheid voor dieren in de veehouderij te verbeteren liggen, zoals de Onderzoeksraad voor Veiligheid zeven jaar geleden al beaamde. Het probleem lijkt voor ministeries als LNV onvoldoende prioriteit te hebben om te investeren in onderzoek en oplossingen. Hoewel in de Wet dieren de intrinsieke waarde van dieren, los van hun nut voor de mens, is vastgelegd, heeft het LNV in het verleden opmerkelijkerwijs gesteld dat deze wet geen betrekking heeft op de brandveiligheid van landbouwhuisdieren, en dus blijft een bewustwordingscampagne hun voorkeurskeuze.
NGO Varkens in Nood beaamt het sentiment dat de morele overweging wat betreft dierenwelzijn in de bio-industrie te laag is, en zegt dat stalbranden slechts worden gezien als bedrijfsrisico’s die kunnen worden verzekerd, in plaats van dat de dieren in hun eigenwaarde worden gelaten. Hoe het nou verder moet met de stalbranden is onduidelijk, het enige duidelijke; we doen niet genoeg.