
In 1574 stond de stad Leiden stil. De stad was omsingeld door Spaanse troepen, afgesloten van de buitenwereld en werd geplaagd door honger en de pest. Wat toen een strijd was om te overleven, is voor veel Leidenaren uitgegroeid tot de belangrijkste dag van het jaar. Op 3 oktober viert de stad het Ontzet van 1574, een traditie die tot op de dag van vandaag voortleeft.
Volgens Teun Schneiders, geschiedenisstudent en betrokken Leidenaar, gaat de traditie om meer dan alleen de geschiedenis. “Het is belangrijk om vrijheden te vieren en saamhorigheid uit te stralen in een tijd waarin veel polarisatie bestaat,” legt hij uit. “Op zo’n dag maakt het niet uit wat je achtergrond of mening is. Je bent allemaal Leidenaar.” Volgens Schneiders is aandacht voor de mensen en plekken die een rol speelden tijdens het Beleg en Ontzet van groot belang. “Juist als je weet wat er op bepaalde plekken is gebeurd, ga je er anders naar kijken,” legt hij uit.
De saamhorigheid waar Schneiders over spreekt, ontstond niet zomaar. Het stadsbestuur probeerde ten tijde van het Beleg de rust te bewaren. Pieter van der Werff was een van de vier burgemeesters en werd een symbool van verzet. Volgens verhalen bood hij zijn eigen lichaam aan als voedsel voor de uitgehongerde bevolking. Het centrum van deze gebeurtenissen lag rond het stadhuis. Om de geschiedenis beter te begrijpen, is het waardevol om de stad ook op onderstaande kaart te bekijken. Vandaag de dag zijn er veel plekken in het Leidse stadsbeeld waar het verleden nog aanwezig is.
Een cruciale rol bij het bevrijden van de stad was het contact met de buitenwereld. Omdat landroutes onbruikbaar waren, werd gebruikgemaakt van postduiven om berichten naar buiten te smokkelen. Willem Cornelisz van Duivenbode, woonachtig op het Rapenburg (zie kaart), speelde hierin een belangrijke rol. Hij smokkelde zijn duiven van Leiden naar Delft. Op die manier werden berichten verspreid naar Willem van Oranje en de Geuzen, die later de stad kwamen bevrijden. Volgens Schneiders maakt dit van Duivenbode tot een van de grootste helden van het Ontzet. “Hij gaf eigenlijk zijn laatste voedsel op voor de stad. Dat is wel tekenend voor wat er toen gebeurde.”
Terwijl binnen de stadsmuren de wanhoop groeide, werd buiten de stad een plan uitgevoerd. De dijken werden doorgebroken, waardoor grote delen van het land onder water kwamen te staan. Hierdoor kwam er op 3 oktober 1574 een einde aan het Beleg. Door het stijgende water werden de Spanjaarden verjaagd en bereikten de Geuzen, via de Vliet, de stad. De watergeuzen brachten haring en wittebrood mee om de grootste honger van de stad te stillen. Wat vandaag de dag wordt gezien als traditie, had toen een praktische betekenis voor de overleving van de bevolking.
Ook andere personen werden onderdeel van de Leidse geschiedenis. Cornelis Joppenszoon vond in een verlaten Spaans kamp een pot met eten. Het gerecht dat we nu hutspot noemen. “Alleen al het feit dat hij de stad uit durfde te gaan, laat zien hoeveel moed daarvoor nodig was,” zegt Schneiders.
Na het Ontzet ontstonden direct tradities, zoals de jaarlijkse herdenkingsdienst die nu nog steeds plaatsvindt in de Pieterskerk. Maar volgens Schneiders is traditie geen doel op zich. “Het is makkelijk om te zeggen dat we het vieren omdat het traditie is,” zegt hij. “Maar het gaat er juist om waarom het een traditie is geworden. Je viert vrijheid en staat stil bij de mensen die daarvoor hebben gezorgd.”
Die boodschap is volgens hem tot op de dag van vandaag relevant. In een tijd waarin verschillen tussen mensen steeds zichtbaarder worden, is het Leidens Ontzet een moment van verbinding. “Op die dag maakt het allemaal even niet uit. Dat is juist wat het zo bijzonder maakt.” En juist daarom wil hij zelf actief onderdeel zijn van de viering. In mei 2026 strijdt hij voor de plek van Den Tonkelaar, waar hij de geschiedenis op een toegankelijke en luchtige manier wil overbrengen aan Leidenaren. “Het gaat voor mij niet alleen om het herdenken, maar ook om het levend houden van de traditie voor nieuwe generaties.”