Op 1 april 2001 zeiden de eerste koppels van hetzelfde geslacht elkaar het jawoord. Een primeur op wereldschaal, want Nederland was het allereerste land ter wereld dat het burgerlijk huwelijk voor iedereen openstelde. Hoe is dat toen zover gekomen?

Zo’n 25 jaar geleden zeiden vier bruidsparen, waarvan drie mannenkoppels en een vrouwenkoppel, elkaar net na middernacht het jawoord in Amsterdam. Dit waren de eerste burgerlijke huwelijken voor koppels van gelijk geslacht, want het kerkelijk huwelijk was bij de Remonstrantse kerk al sinds 1986 officieus mogelijk. Voor de gelijke burgerlijke trouwrechten is jarenlang gelobbyd.
In de jaren zestig tot tachtig kwam de homobeweging in Nederland in opkomst. In 1969 was op het Binnenhof in Den Haag de eerste homodemonstratie van Europa. Er werd geprotesteerd tegen artikel 248bis: de wet die seksueel contact verbood met mensen van hetzelfde geslacht onder de 21 jaar. Dit artikel was discriminerend, omdat de leeftijdsgrens voor hetero’s zestien jaar was. In 1971 werd deze wet afgeschaft, wat een stap vooruit was voor gelijke rechten voor iedereen.
In de jaren tachtig werden de eerste concrete stappen gezet voor het ‘homofielenhuwelijk’, zoals dat toen heette. In 1983 werd de Stichting Vrienden van de Gay Krant opgericht door Henk Krol, politicus en hoofdredacteur van de Gay Krant. De Stichting hield zich vooral bezig met de emancipatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen.
In diezelfde periode speelde Jan Wolter Wabeke, jurist en openlijk homoseksueel, met het idee om het burgerlijk huwelijk voor iedereen open te stellen. Hij wilde hiervoor aanpassingen maken in het geldende familierecht en niet een nieuwe wet opstellen. Wabeke sprak niet van een ‘homohuwelijk’, maar van een “universeel huwelijk”.
Op initiatief van Wabeke startten de Vrienden van de Gay Krant in 1988 een campagne om het huwelijk ook open te stellen voor mensen in homoseksuele relaties. De voorgestelde wetswijzigingen van Wabeke werden getest in een proefproces, waarbij koppels van hetzelfde geslacht de juridische stappen doorliepen.
Uiteindelijk erkende de Amsterdamse rechtbank in 1989 dat nergens in de wet staat dat het huwelijk alleen voor een man en een vrouw mogelijk is, maar dat dit wel zo bedoeld was door de wetgever. De Amsterdamse rechtbank riep de politiek op om dit te veranderen.
Al snel openden verschillende gemeenten een voorlopig trouwregister voor stellen van hetzelfde geslacht. Het idee van een universeel huwelijk geraakte meer en meer op de politieke agenda. De komst van het eerste kabinet zonder christendemocratische partijen in 1994 baande de weg. Een zogeheten paars kabinet.
De staatssecretaris Elizabeth Schmitz kwam al snel met een plan voor geregistreerd partnerschap. Invoering hiervan liet vier jaar op zich wachten: per 1 januari 1998 konden hetero- en homostellen in Nederland een geregistreerd partnerschap aangaan. In bijna alle opzichten hetzelfde als trouwen, maar zonder de symboliek. Een soort tussenstap dus.
Toen er in 1998 een tweede paars kabinet kwam, maakte nieuwe staatssecretaris Job Cohen er werk van. Hij diende een officieel wetsvoorstel in voor de openstelling van het huwelijk bij de Tweede Kamer. De meerderheid van de Kamerleden stemde vóór en de Wet openstelling huwelijk werd aangenomen. Homostellen zouden hiermee ook samen een kind mogen adopteren.
1 april 2001 was het dan zover: de eerste koppels van gelijk geslacht werden met elkaar gehuwd door Job Cohen, burgemeester van Amsterdam. Wereldgeschiedenis die zeker dertien jaar in de maak is geweest.
Sinds de primeur van Nederland hebben zo’n 38 landen over de hele wereld het huwelijk tussen mensen van gelijk geslacht gelegaliseerd en hebben ongeveer twintig landen alleen het geregistreerd partnerschap als optie. Toch zijn er meer dan vijftig landen ter wereld waar mensen bestraft worden vanwege hun seksuele geaardheid, tot aan de doodstraf toe in zeven landen.
In Nederland worden lhbtiq+-mensen ook nog niet altijd als volwaardig gezien, ondanks dat homoseksualiteit wettelijk wel geaccepteerd wordt. Zo’n veertig procent van de jongeren vindt dat niet iedereen gelijkwaardig is, bleek begin dit jaar uit onderzoek van de Universiteit van Amsterdam naar opvattingen over de lhbtiq+-gemeenschap.
Noor (21) kan dit beamen: “Als ik met mijn vriendin hand in hand over straat loop, worden we weleens uitgescholden. Eén keertje is er zelfs op ons gespuugd.” We zijn een lange weg gekomen de afgelopen veertig jaar, maar de kous is dus nog niet af.