Kaart
Bijzonder onderwijs: een strijd tussen vrijheden
8 april 2026
Joeri van der Sluijs
Student minor Journalistiek en Nieuwe Media (2025/2026).
Jacobus Fruytier Scholengemeenschap, locatie Apeldoorn, een reformatorische school. Foto Koosg (CC BY-SA 3.0)

Discussie en ophef over het bijzonder onderwijs zijn de laatste jaren regelmatig in het nieuws, specifiek over islamitisch en reformatorisch onderwijs. Zo kwam het islamitische Cornelius Haga Lyceum in 2019 in opspraak omdat medewerkers er salafistische ideeën zouden willen verspreiden, dit is echter niet bewezen. Ook was er ophef rond het reformatorische Gomarus College, waar in 2021 LHBTI-leerlingen gedwongen uit de kast hadden moeten komen. Deze situaties leiden tot discussie over de verhouding tussen onderwijsvrijheid en liberale vrijheden. Hoe zit dit? Waar zijn deze scholen? En hoe zit het politieke debat hierover in elkaar?

Zo’n zeventig procent van de Nederlandse scholen geeft bijzonder onderwijs, waarvan de meeste scholen religieus zijn. Reformatorische en islamitische scholen vormen hierbinnen een kleine minderheid. Deze scholen kwamen specifiek naar voren in een Nieuwsuur-onderzoek over botsingen tussen democratische en religieuze waarden op het bijzonder onderwijs. De onderstaande interactieve kaart laat een aantal scholen waar ophef heeft plaatsgevonden en andere grote relevante scholen zien. De islamitische scholen bevinden zich vooral in het westen, terwijl de reformatorische scholen verspreidt zijn over de ‘biblebelt’, een strook land van Zeeland naar Overijssel waar veel gereformeerde christenen wonen.

Artikel gaat verder onder de kaart.

Botsende grondrechten

Botsende grondrechten veroorzaken de discussie rond het bijzonder onderwijs. Enerzijds speelt artikel 23 van de Grondwet, namelijk onderwijsvrijheid. Scholen hebben het recht om onderwijs op hun eigen manier vorm te geven. Alle scholen zijn daarin gelijk en krijgen eerlijke overheidssubsidie. Anderzijds speelt artikel 1, namelijk het recht op gelijke behandeling en verbod op discriminatie. Artikel 23 maakt onderwijs op basis van godsdienstige overtuigingen mogelijk, maar dat kan strijden met het discriminatieverbod, bijvoorbeeld als niet-religieuze of LHBTI-leerlingen worden buitengesloten. Over de afweging tussen deze grondrechten bestaan verschillende opvattingen.

Uiteenlopende standpunten

Sommige politieke partijen vinden dat onderwijsvrijheid niet ten koste mag gaan van andere vrijheden. Zo vindt de VVD dat vrijheid van onderwijs nooit mag leiden tot discriminatie. De ‘ruimte om jezelf te kunnen zijn’ moet overal gewaarborgd worden. De partij diende afgelopen december nog een motie in om te onderzoeken of artikel 1 zou kunnen worden verheven boven artikel 23. Deze motie kreeg zowel steun als tegenstand in de Tweede Kamer. D66 wil artikel 23 vernieuwen, zodat bijzondere scholen worden verplicht leerlingen met een andere religie of levensovertuiging toe te laten. De PVV richt zich specifiek op islamitisch onderwijs, wat volgens de partij inherent strijdt met vrijheid en verboden moet worden

Deze standpunten leiden tot felle weerstand van bijvoorbeeld christelijke partijen en DENK. Zo vindt de ChristenUnie dat godsdienstig onderwijs altijd beschermd moet worden. Ouders hebben het recht hun kinderen religieus op te voeden, ook in het onderwijs. De ChristenUnie uitte daarom ook felle kritiek op de VVD-motie, die ze een ‘onliberaal voorstel‘ noemden. Ook de SGP is hier niet over te spreken. De partij wil het bijzonder onderwijs koesteren en vindt het een slecht idee om bijzondere scholen te verplichten andersdenkenden toe te laten. Dat zou de geloofwaardigheid van bijzondere scholen beschadigen. Ook DENK wil dat de overheid van het bijzonder onderwijs afblijft. Deze partij wil vrije gebedsruimtes op scholen en af van ‘regenboogdwang’ in het onderwijs.

Het CDA blijft in het midden

het CDA is een interessant geval. Partijleider Henri Bontenbal lag afgelopen december onder vuur nadat hij gezegd had dat bijzondere scholen mogen schuren met het discriminatieverbod. Later zei hij dat hij zich anders had moeten uitdrukken. Volgens het CDA is bijzonder onderwijs altijd goed en zeer waardevol, mits er wordt voldaan aan de wet en aan de basiswaarden van onze samenleving, zoals respect.

“Op onze school moet iedereen altijd respectvol met elkaar omgaan” zegt Gerrinda (18), een 6-VWO-leerling op een reformatorische middelbare school. “Er is een geloofsbasis waarop leerlingen toegelaten worden, maar binnen het onderwijs is er ruimte voor verschillende meningen en alle kanten van een verhaal. Iedereen mag er zijn, maar wel binnen de kaders van de schoolidentiteit. Volgens Gerrinda is er op haar school niet per se veel aandacht voor de discussie rond het bijzonder onderwijs. “Als het in het nieuws is, wordt het wel besproken in de lessen waar het betrekking op heeft, maar het is niet iets waar leraren en leerlingen dagelijks mee bezig zijn.”

8 april 2026 |
Joeri van der Sluijs
Student minor Journalistiek en Nieuwe Media (2025/2026).