“We gaan weer meer investeren in de ontwikkelingssamenwerking!” Na de presentatie van het regeerakkoord slaakte de ontwikkelingssector een zucht van verlichting. Maar nu het stof inmiddels is neergedaald, is die opluchting wel verdwenen.

Demonstranten vragen aandacht voor klimaatrechtvaardigheid, een van de belangrijke thema’s in de wereld van ontwikkelingssamenwerking. Foto: MídiaNINJA (CC BY-NC 4.0)
In een regeerakkoord dat praktisch leest als het VVD-programma zagen veel duiders nog enkele ‘overwinningen’ voor de andere twee partijen. Ontwikkelingssamenwerking was daar één van, met een structurele extra investering van 257 miljoen per jaar. Hoewel dit bedrag een schijntje is vergeleken met de mokerslag aan bezuinigingen van kabinet Schoof, noemen de drie regeringspartijen het beetje extra geld daarom heel positief “een stap in de richting van de OESO-norm”, de internationale afspraak om minimaal 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen te reserveren voor ontwikkelingssamenwerking.
Maar het is wel een heel schoorvoetende stap. Als de stapjes dit tempo blijven houden, duurt het nog tot 2078 voordat we de OESO-norm wél halen, zegt Dirk-Jan Koch, bijzonder hoogleraar ontwikkelingshulpvraagstukken. De 0,7 procent raakt de laatste kabinetten sowieso steeds verder uit zicht. Vanouds prijkte Nederland op alle toplijstjes als het ging om betrokkenheid op de wereld en de grootte van het budget voor ontwikkelingssamenwerking. Dat kwam ook omdat het decennialang de traditie was dat dit budget gekoppeld was aan de groei van de economie. VVD’er Eelco Heinen zette hier als minister van Financiën een streep door. Met als resultaat dat de 0,7 procent voorlopig uit zicht blijft, ook met dit nieuwe kabinet.
Toch waren ontwikkelingsorganisaties in hun reactie op het akkoord nog voorzichtig positief. “We zijn blij met de omslag in houding, met een D66-minister waait er een andere wind op het departement. We merken het ook aan de ambtenaren die we spreken”, zegt Jacob Jan Vreugdenhil. Hij is bestuurder bij Woord en Daad, een christelijke ontwikkelingsorganisatie met een jaarlijks budget van 38 miljoen. Andere organisaties reageerden in soortgelijke bewoordingen. Met de massale bezuinigingen van andere westerse landen in het achterhoofd lijkt het een begrijpelijke reactie. Wie zou dan niet blij zijn met een structurele investering van 257 miljoen?
Inmiddels is die blijdschap wel verdampt. Nadat het CPB het regeerakkoord vorige maand doorrekende, blijkt dat de 257 miljoen de komende tien jaar naar asielopvang in Nederland gaat. De regering wil maximaal 10 procent van het budget voor ontwikkelingssamenwerking gebruiken om de tegenvallende kosten van asielopvang op te vangen. Wettelijk gezien mag dat, maar het gaat wel ten koste van alle andere investeringen. Juist in deze tijd zijn die investeringen nodig, benadrukt Vreugdenhil: “Als klein land in een grote wereld waarin geopolitiek van alles speelt, is het raadzaam stevig te investeren in slagvaardig buitenlandbeleid. Daarbij zijn we ook een rijk land en kunnen we veel betekenen voor naasten ver weg.”
De extra investering blijkt dus een wassen neus, maar er is nog een tegenvaller voor de ontwikkelingssector. Het nieuwe kabinet is van plan om het potje voor ontwikkelingssamenwerking verder leeg te halen. Vanaf 2027 wordt ook steun aan Oekraïne voor 419 miljoen per jaar daaruit bekostigd – iets dat zelfs kabinet Schoof niet deed. Had het kabinet wél significante stappen richting de OESO-norm gezet, dan gaf dat dus een vertekend beeld. Het gaat er niet alleen om hoeveel geld er in totaal in het potje zit, maar ook waar dat aan uitgegeven wordt. En met de kosten voor asielopvang en de 419 miljoen voor Oekraïne verdwijnt bijna een kwart van de totale begroting. Dat betekent dat bijna een kwart van de begroting niet aan armoedebestrijding, klimaat of vrouwenrechten besteed kan worden.
“Mooie woorden, maar financiering blijft uit”, kopt Partos, de branchevereniging voor internationale samenwerking, na de doorrekening van het CPB. “De lijn die door minister Klever is ingezet, inclusief de enorme bezuinigingen, is min of meer doorgezet”, zo concludeert ook Vreugdenhil. Voor alle ontwikkelingsorganisaties die geld ontvangen van de overheid is dat een bittere pil. Want alle mooie woorden ten spijt, onder de streep kunnen zij fluiten naar hun geld.