Bij het woord ‘cybercriminaliteit’ denk je waarschijnlijk al snel aan een anonieme hacker die boven in zijn zolderkamertje bezig is om bejaarden op te lichten. Of misschien is hij wel bezig een grote phishing-mail te versturen, of gegevens van ODIDO te gijzelen. Maar uit de cijfers van CBS blijkt dat het niet de oudere generatie is die het vaakst slachtoffer is van cybercriminaliteit. Jongeren zijn namelijk de grootste slachtoffers, en ik hoor je al denken: maar dat klopt toch niet?
Uit cijfers van het CBS blijkt dat dat cybercriminaliteit in de afgelopen 10 jaar flink is gestegen. In 2014 waren er zo’n 8.000 meldingen van online slachtofferschap en in 2024 al meer dan 100.000. Volgens drs. Marco Romagna, professor aan de Universiteit Leiden en gespecialiseerd in cybercriminaliteit, hangt dat ook erg af van gelegenheid en digitalisering: “Hoe meer mensen zich online bevinden, hoe meer mogelijke doelwitten er zijn”. Je ziet bijvoorbeeld heel duidelijk een piek in de coronatijd (2020-2023), waarin iedereen hun dagelijks leven ineens naar de online wereld moest verplaatsen. Marco ziet ook meer gelegenheid, doordat iedereen tegenwoordig een telefoon heeft: “kinderen van 10 jaar hebben al een telefoon” en daarmee nemen ze ook meer risico.
Toch voelt het nog gek dat juist jongeren vaker slachtoffer zijn. Als ze meer op het internet zitten, zouden ze zichzelf toch ook beter kunnen beschermen? “Het is erg lastig om naar je ouders toe te gaan met vragen, want zij weten vaak ook niet hoe het werkt” vertelt Marco hierover. Hij ziet hier een ‘generational gap’ waardoor ouders hun kinderen niet goed kunnen vertellen wat de risico’s zijn. Of hoe hun kinderen zich online moeten beschermen: “al helemaal niet over TikTok of Snapchat”. Jongeren zijn nu eenmaal meer online, en zijn daardoor ook meer blootgesteld aan de risico’s. Stel Pietje loopt elke dag tien keer langs zakkenrollers, dan is de kans groter dat hij een slachtoffer wordt, dan iemand die maar één keer langsloopt.
“Wanneer je jonger bent, ben je veel roekelozer”
Een tweede element dat Marco benoemt is dat jongeren de gevaren niet zien: “wanneer je jonger bent, ben je veel roekelozer, het brein is nog niet helemaal ontwikkeld”. Verder vertelt hij dat jongeren op meer verschillende manieren gebruikmaken van het internet. Ze zullen sneller foto’s plaatsen en met anderen contact zoeken online: “jongeren zullen sneller mensen online vertrouwen”. Daarnaast beseffen jongeren zich vaak niet dat “wat online wordt geplaatst, blijft daar voor altijd”. Ook dit komt door de hersenontwikkeling, waardoor ze vaak nog niet de negatieve consequenties en risico’s kunnen inzien, legt Marco uit.
Een derde element gaat om een bepaalde routine die mensen volgen. Marco vertelt dat de meeste mensen vaak dezelfde zeven apps openen op hun telefoon. Dat patroon wordt voorspelbaar, “waardoor iemand het ook tegen je kan gebruiken”. En hoe meer je op je telefoon zit, hoe vaker dat patroon zich herhaalt.

Kortom, omdat jongeren zich meer op het internet bevinden, zijn ze ook kwetsbaarder. Het zijn makkelijkere doelwitten, omdat ze de gevaren van hun gedag nog niet kunnen inzien. Dat roekeloze gedrag zorgt ervoor dat een dader daar makkelijker misbruik van kan maken. Dankzij de online aanwezigheid is het ook makkelijker om de routine van iemand te ontdekken en te misbruiken. Volgens Marco zouden zowel scholen als ouders onze jongeren moeten vertellen hoe ze zich online kunnen beschermen. “Of we moeten wachten tot ze het zelf uitvogelen, maar dat zal niet zonder botsingen gaan.”, aldus Marco.