Patiënten met angst- en stemmingsklachten wachten in Nederland gemiddeld 24 weken op specialistische GGZ-behandeling. Volgens de Treeknorm zou die zorg binnen 14 weken moeten beginnen.

Wie specialistische geestelijke gezondheidszorg nodig heeft, zou volgens de Treeknorm binnen veertien weken geholpen moeten worden. De norm verdeelt die periode in vier weken wachttijd tot de intake en tien weken wachttijd tot de behandeling. In theorie geeft de norm patiënten een duidelijk recht op tijdige zorg.
Uit wachttijdgegevens van 2025 blijkt dat patiënten met angst- en stemmingsklachten gemiddeld 24 weken wachten voordat hun behandeling start. Dat is tien weken langer dan de Treeknorm. In sommige regio’s lopen de wachttijden nog veel verder op. In Flevoland bedroeg de gemiddelde totale wachttijd in 2024 zelfs 39 weken. Volgens belangenorganisatie MIND zijn de wachttijden sinds 2024 met gemiddeld drie weken gestegen, dit zou betekenen dat een patiënt in Flevoland zo’n 42 weken moet wachten op een behandeling.
De interactieve kaart bij dit artikel laat zien dat overschrijdingen in heel Nederland voorkomen. In de uithoeken van het land blijft de wachttijd relatief dicht bij de norm, terwijl ze rond alle grotere steden ruim boven de norm liggen.
Opvallend is dat de grootste vertraging vaak ontstaat vóórdat patiënten überhaupt een eerste gesprek hebben. Terwijl de Treeknorm stelt dat een intake binnen vier weken moet plaatsvinden, wachten patiënten in veel gevallen maanden voordat zij door een behandelaar worden gezien.
Gebrek aan betrouwbare wachttijdinformatie
Opmerkelijk genoeg zeggen zorgverzekeraars zelf dat het moeilijk is om precies vast te stellen hoe vaak de Treeknorm wordt overschreden.
Volgens zorgverzekeraar Zilveren Kruis is er op dit moment geen volledig betrouwbaar overzicht van wachttijden in de GGZ. Ook uit eerder onderzoek van de Vrije Universiteit Amsterdam kwam naar voren dat er problemen met de registratie van wachtlijsten. Daardoor is het lastig om een volledig beeld te krijgen van de werkelijke wachttijden.
Zilveren Kruis stelt dat daarom een nieuwe methode is ontwikkeld om wachttijden beter te meten. Deze methode, gebaseerd op declaratiedata, wordt door de Nederlandse Zorgautoriteit ingevoerd als landelijke werkwijze. De verwachting is dat daardoor in de toekomst een betrouwbaarder overzicht ontstaat.
Ook zorgverzekeraar CZ benadrukt dat wachttijden sterk verschillen per regio, zorgvraag en aandoening. Volgens de verzekeraar ontbreken op dit moment nog duidelijke en vergelijkbare cijfers om overal precies vast te stellen hoe lang patiënten wachten.
Zorgplicht en bemiddeling
Wanneer wachttijden te lang worden, hebben zorgverzekeraars een wettelijke zorgplicht. Zij moeten verzekerden helpen om tijdig passende zorg te vinden. Dat gebeurt meestal via wachtlijstbemiddeling, waarbij wordt gezocht naar een andere aanbieder met een kortere wachttijd.
Volgens CZ lukt dat in veel gevallen. Van de verzekerden die in 2024 wachttijdbemiddeling voor de GGZ aanvroegen, kon in 87 procent van de gevallen een snellere plek worden gevonden.
Toch kent dat systeem duidelijke beperkingen. Zorgverzekeraars weten vaak niet wie er op een wachtlijst staat. Door privacyregels hebben zij geen direct inzicht in individuele wachttijden. Daardoor moeten patiënten meestal zelf contact opnemen wanneer zij langer wachten dan de norm.
Zilveren Kruis bevestigt dat proactieve bemiddeling momenteel nog lastig is. De verzekeraar zegt dat zij niet kunnen zien welke verzekerden op een wachtlijst staan. In het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord zijn wel afspraken gemaakt om dit in de toekomst te verbeteren.
De norm als juridisch houvast
De Treeknorm blijft ondertussen bestaan als richtlijn voor toegang tot zorg. Voor patiënten kan die norm belangrijk zijn, omdat zij zich erop kunnen beroepen wanneer wachttijden te lang worden.
Tegelijkertijd laat de huidige situatie zien hoe groot de kloof kan zijn tussen beleid en praktijk. Terwijl de norm uitgaat van veertien weken, laten wachttijdgegevens zien dat patiënten in sommige regio’s bijna negen maanden wachten op behandeling.
De huidige situatie laat zien hoe groot de kloof kan zijn tussen beleid en praktijk. Terwijl de norm uitgaat van veertien weken, laten de wachttijdgegevens zien dat patiënten gemiddeld een half jaar wachten op een behandeling. Daarmee ontstaat een opvallende paradox in het systeem. De Treeknorm belooft snelle toegang tot zorg, maar het systeem heeft tegelijkertijd moeite om zelfs vast te stellen hoe lang patiënten daadwerkelijk wachten.