Dit zijn de lessen die we van de gemeenteraadsverkiezing kunnen leren
29 maart 2022
Niels van der Linden
Student Minor Journalistiek en Nieuwe Media 2021/2022

16 maart waren er weer gemeenteraadsverkiezingen. Een week later zijn de de uitslagen definitief geteld, herteld en bevestigd, en de nieuwe raadsleden kunnen aan de slag. Maar een “historisch lage opkomst” (NOS), zoals die is vastgesteld baart wel enige zorgen. Reden voor reflectie dus.

De lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen is geen nieuw fenomeen. Al sinds de jaren ’70 is er een gestage daling van het aantal stemmers. Zijn Nederlanders dan minder geïnteresseerd in de politiek, of voelen zij minder dat stemmen een ‘burgerplicht’ is? De opkomst bij de landelijke verkiezingen voor de Tweede Kamer bewijzen het tegendeel.

Hoewel deze lichtelijk is gedaald sinds de afschaffing van de stemplicht in 1970, schommelt de opkomst voor de Tweede Kamerverkiezingen nog altijd rond de 80%. Er is dus een verschil in hoe kiezers staan ten opzichte van de gemeentepolitiek.

Al in 1999 werd er door Kees Aarts, nu hoogleraar Politieke Instanties en Gedrag aan de Rijksuniversiteit Groningen, onderzoek gedaan naar redenen dat de opkomst bij verkiezingen daalde. Hij concludeerde dat de achtergrond van personen hier weinig invloed op had. Dat zien we bijvoorbeeld doordat gelovigen (meer) naar de stembus gaan, ongeacht de welke verkiezingen het zijn.

In de bovenstaande kaart zien we dat er in algemene zin een hogere opkomst is in gemeenten binnen de Bijbelgordel, een strook land dat loopt van de province Zeeland, richting het noordoosten, tot aan Overijssel. In dit gebied bevinden zich over het algemeen meer gelovigen.

Opmerkelijk is echter dat onderzoeksbureau I&O al in 2012 meldde dat de tijd waarin religie een rol speelt bij stemgedrag voorbij is. "Anno 2012 gaf maar 9% van de kiezers aan dat zij op een partij hadden gestemd omdat deze het geloof van de kiezer vertegenwoordigde." Gelovigen stemmen dus wel meer, maar zijn tegenwoordig minder partijgebonden.

Uit onderzoek van onderzoeksbureau IPSOS en cijfers van het CBS is ook te zien dat opleidingsniveau van kiezers geen invloed heeft op de verschillen tussen de gemeenteraad- en Tweede Kamerverkiezingen. Bij beide verkiezingen stemmen hoger-opgeleiden vaker dan lager opgeleiden.

Kleinere gemeenten scoren beter

Dit alles verklaart nog altijd niet waarom de opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen laag is. Een mogelijk antwoord op deze vraag is de schaal van de verkiezing. In het onderstaande grafiek is te zien dat de opkomst relatief laag is bij alle gemeenten. Wel is op te merken dat de grootste gemeenten, met meer dan 60.000 kiesgerechtigden vaak geen hogere opkomst krijgen dan 55%.

Tegelijkertijd is te zien dat de kleinste gemeenten, zoals Schiermonnikoog, Rozendaal, of Ameland vaak een hogere opkomst hebben, van ruim 70%. Er lijkt dus een verhouding tussen de grootte van de gemeente en de opkomst bij gemeentelijke verkiezingen. En dat is ook niet gek.

Wat doet de gemeenteraad precies?
De gemeenteraad heeft een aantal verschillende taken, die direct invloed hebben op hoe het leven binnen de gemeente eraan toe gaat. Zo stemt de gemeenteraad niet alleen over wetsvoorstellen, maar bepalen zij ook welke onderwerpen voor de gemeente van belang zijn. Dit kan zijn dat er meer aandacht moet zijn voor sportvoorziening, of voor een nieuw afvalbeleid. Tot slot moet de Raad ook toezicht houden of de besluiten worden nageleefd. gemeenteraadsleden moeten dan ook zelf op pad, en komen direct in contact met de mensen die zij vertegenwoordigen.

Bij kleinere gemeenten, en zeker op de eilanden, is het gemakkelijker voor de raadsleden om onder de mensen te komen. Zo ontstaat er heel gemakkelijk het gevoel dat de kiezer gehoord wordt.

Aarts vertelt dat er meerdere objecten zijn die binnen de politiek kunnen worden gewantrouwd. In zijn onderzoek merkt hij op dat het democratisch systeem, het systeem dat vraagt dat burgers stemmen, nog altijd veel vertrouwd wordt. Het is daarentegen bij de democratische instellingen en de gezagsdragers dat het vertrouwen fluctueert en geleidelijk daalt.

"De politiek begint lokaal. Daar zit de basis"

Kees Aarts

Bij een grote gemeente is het contact tussen (campagnevoerende) raadsleden en de kiezer vrij klein, in tegenstelling tot kleinere gemeenten. Dit contact is heel belangrijk voor de kiezer om enerzijds het gevoel te hebben gehoord te worden, en anderzijds de kiezer te interesseren in de politiek. Beide zijn veelal redenen geweest voor mensen om dit jaar niet te gaan stemmen.

Lokale partijen maken winst op wantrouwen

Begin maart publiceerde het CBS een onderzoek naar de verschillen in opkomst tussen Tweede Kamer- en gemeenteraadsverkiezingen. Één van de conclusies was dat er een samenhang is tussen een lagere opkomst en een hoger aantal lokale partijen. Bij deze verkiezingen was het niet anders: een historisch lage opkomst én een hoog aandeel stemmen voor lokale partijen. Lees hier meer over hoe groot hun aandeel was.

Aldus Aarts zijn lokale partijen wel een teken van wantrouwen, vooral wantrouwen vanuit een groep cynische kiezers. Er zijn volgens hem altijd mensen die zich opwerpen voor zo'n groep, en daaruit ontstaat een lokale partij. Het probleem is echter dat, ondanks hun directe verbinding met kiezers, als er meer lokale partijen verkozen worden, het vormen van een coalitie vaak moeilijker gaat. Het gevolg: fragmentatie in de politiek.

Een gefragmenteerd (gemeente)raad heeft vaak moeite met het maken van besluiten, omdat er zo veel verschillende stemmen gehoord willen worden. Daardoor worden problemen juist minder opgelost. En laat dat nou vaak een kern zijn waarop wantrouwen zich bouwt.

Ondanks dit alles is Aarst nog wel optimistisch. "De fluctuaties die we zien zijn normaal, en het vertrouwen in de grotere bestandsdelen van ons systeem is hoog en neemt geleidelijk toe. Er is dus niet echt te spreken van een vertrouwenscrisis, maar we moeten we goed op de hoede blijven."

29 maart 2022 |
Niels van der Linden
Student Minor Journalistiek en Nieuwe Media 2021/2022