Nieuwsbericht
(Bijna) alle partijprogramma’s leiden tot een gelijkere verdeling van inkomens
5 april 2021
Sylvia Vegter
Student minor Journalistiek en Nieuwe Media 2020/2021.
Winkelstraat in Arnhem. Foto: Paul (CC BY-NC-SA 2.0).

Op 1 maart 2021 heeft het Centraal Planbureau (CPB) de doorrekeningen van de verkiezingsprogramma’s van tien politieke partijen gepubliceerd. Uit het rapport blijkt dat bijna alle partijprogramma’s een gelijkere inkomensverdeling realiseren.  

In het rapport genaamd ‘Keuzes in Kaart 2022-2025’ berekent het CPB de economische effecten van de verkiezingsprogramma’s. De vage termen van politieke partijen worden door het CPB concreet gemaakt: waar willen partijen hun geld aan uitgeven en wat zijn de langetermijneffecten. Een opvallend effect is dat bij (bijna) alle partijen een daling is te zien van de inkomensongelijkheid. Het gewenste beleid van partijen zorgt er dus voor dat de inkomens per huishouden in Nederland gelijker worden verdeeld.

“De inkomensongelijkheid wordt bij de meeste partijen verkleind door de koopkracht van de onderste inkomensgroepen te vergroten,” zegt inhoudelijk expert van het CBP Patrick Koot. Door de ‘armen’ minder te belasten of meer te schenken, komen de inkomens dichter bij elkaar te liggen. Met name het verhogen van het minimumloon, een maatregel die bijna elke partij heeft staan in zijn partijprogramma, draagt bij aan een gelijkere verdeling.

De partijprogramma’s verschillen echter wel van elkaar: bij de ene partij daalt de inkomensongelijkheid harder dan bij de ander. Partijen maken namelijk verschillende beleidskeuzes. De partijen waarbij de inkomensgelijkheid het meest toeneemt zijn: de SP, de PvdA, GroenLinks, D66, DENK en de CU. Bij 50PLUS en het CDA daalt de inkomensongelijkheid minder hard en bij de SGP zit er vrij weinig beweging in.

Het partijprogramma van de VVD is het enige programma, waarbij de inkomensongelijkheid daadwerkelijk stijgt. Dit komt mede door het bevriezen van de uitkeringen en de toeslagen. Hierdoor wordt de koopkracht van de lage inkomens juist verkleind. Koot waarschuwt overigens dat bij de doorrekeningen het hele verslag van belang is. Meer factoren spelen een rol. Per slot van rekening is VVD de enige partij, waarbij de structurele werkgelegenheid stijgt.

Het meetinstrument

In ‘Keuzes in Kaart 2022-2025’ wordt de inkomensongelijkheid berekend middels de Gini-coëfficiënt. Dit verhoudingsgetal meet de ongelijkheid tussen inkomens. “De coëfficiënt is internationaal gezien de meeste gebruikte maatstaf voor het vergelijken van inkomensongelijkheid tussen groepen,” zegt Koot.

De coëfficiënt biedt overigens geen totaalbeeld van de ongelijkheid tussen arm en rijk in Nederland. Het meetinstrument kijkt namelijk alleen naar wat iemand binnenkrijgt (het inkomen), en niet naar wat iemand al heeft (het vermogen). “Politici hebben tegenwoordig vaker interesse in de vermogensongelijkheid,” vertelt Koot. Begrijpelijk, aangezien in Nederland de vermogens ongelijker zijn verdeeld dan de inkomens.

Een vergelijking tussen alle zittende partijen kan het rapport niet geven, omdat niet alle partijen zich hebben aangemeld. Het CPB heeft de partijprogramma’s van Forum voor Democratie, de PVV en de Partij voor de Dieren niet kunnen doorrekenen. De partijen hadden hier verschillende redenen voor. Op de website van de PvdD staat: “Niet alles wat waarde heeft laat zich makkelijk uitdrukken in geld.” De PVV heeft de doorrekening afgeslagen, omdat hun migratiebeleid niet kon worden doorberekend. Lijsttrekker Wilders vertelt bij WNL: “Als wij ons belangrijkste punt niet doorberekend krijgen dan lopen wij bij voorbaat achter.[2]


5 april 2021 |
Sylvia Vegter
Student minor Journalistiek en Nieuwe Media 2020/2021.